Gelet op de beslissing van de gemeenteraad van 18 november 2024 betreffende de wijziging van de rechtspositieregeling van het personeel van het lokaal bestuur;
Gelet op de beslissing van de gemeenteraad van 8 september 2025 betreffende de wijziging van de rechtspositieregeling van het personeel van het lokaal bestuur;
Gelet op richtlijn 2003/88/EG van het Europees parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd;
Gelet op artikel 10, §1, 3° van de wet betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens van 30 juli 2018;
Gelet op het advies van de Nationale Arbeidsraad nr. 2233 van 13 juli 2021 betreffende het omstandigheidsverlof in het kader van langdurige pleegzorg;
Gelet op het decreet van 24 juni 2022 houdende de verplichting voor bepaalde organisaties om een uittreksel uit het strafregister als vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, te controleren voor bepaalde nieuwe medewerkers;
Gelet op het zesde Vlaams Intersectoraal Akkoord van 30 maart 2021 en de overeenkomst in uitvoering van luik II, deel I, punt 9 van voornoemd akkoord van 25 april 2024 betreffende het recht op 3 weken aaneensluitende vakantie;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de minimale voorwaarden van de rechtspositieregeling van het personeel van lokale en provinciale besturen van 20 januari 2023 en latere wijzigingen, hierna genoemd ‘rechtspositiebesluit’;
Gelet op het advies van het Agentschap Binnenlands Bestuur van 8 oktober 2025 betreffende de wijziging van het artikel betreffende de permanente procedures;
Gelet op de collegebeslissing van 6 oktober 2025 betreffende de wijziging van de rechtspositieregeling;
Gelet op de collegebeslissing van 20 oktober 2025 betreffende de wijziging van de rechtspositieregeling;
Gelet op de collegebeslissing van 27 oktober 2025 betreffende de wijziging van de rechtspositieregeling;
Gelet op het verslag van het vakbondsoverleg op 20 november 2025;
Overwegende dat in artikel 5, eerste en tweede lid van het rechtspositiebesluit bepaald wordt dat kandidaten toegang hebben tot een functie bij een bestuur als ze een gedrag vertonen dat in overeenstemming is met de eisen van de functie waarvoor ze solliciteren; dat deze voorwaarde in voorkomend geval getoetst wordt aan de eisen van de functie waarvoor ze solliciteren;
Overwegende dat het opvragen van een uittreksel uit het strafregister een verwerking van persoonsgegevens inhoudt; dat de Data Protection Officer een advies heeft gegeven over de voorwaarden voor het opvragen van een uittreksel uit het strafregister:
“Artikel 10, § 1, 3° van de WVP: “De verwerking van [strafrechtelijke] persoonsgegevens [wordt] uitgevoerd…indien de verwerking noodzakelijk is voor redenen van zwaarwegend algemeen belang voor het vervullen van taken van algemeen belang die door of krachtens een wet, een decreet, een ordonnantie of het recht van de Europese Unie zijn vastgesteld”.
Hieruit blijkt duidelijk dat de praktijk om routinematig een uittreksel uit het strafregister te vragen niet kan worden gerechtvaardigd. Het vragen om deze gevoelige persoonsgegevens, en elke verdere verwerking ervan, vormen een schending van het recht op eerbiediging van het privéleven (artikel 22 van de Grondwet), die altijd gemotiveerd moet kunnen worden. Deze motivatie gebeurt aan de hand van de noodzaak om te toetsen of het gedrag in overeenstemming is met de specifieke eisen van de betreffende functie.
Eén manier om dit aan te pakken is om een algemene beslissing te nemen over welke (categorieën van) functies wel en niet een vereiste van een uittreksel uit het strafregister inhouden. Dit kan bijvoorbeeld aan de hand van de senioriteit van de functie, en/of aan de hand van de specifieke inhoud van het takenpakket (werken met bepaalde groepen personen, verantwoordelijkheid voor financiële en niet-financiële middelen, enz.). Deze algemene beslissing hoeft niet elke mogelijke situatie te regelen, maar kan voor betere bescherming van het recht op privacy zorgen.”
Overwegende dat een uittreksel uit het strafregister kan opgevraagd worden bij gereglementeerde functies en functies waarbij contact met minderjarigen onvermijdbaar is; dat wordt voorgesteld om een algemene bepaling op te nemen bij de bepalingen omtrent de aanwervingsvoorwaarden en een lijst met functies toe te voegen als bijlage; dat deze bijlage kan gewijzigd worden door de aanstellende overheid bij het ontstaan van nieuwe functies;
Overwegende dat in het zesde Vlaams Intersectoraal Akkoord bepaald werd dat personeelsleden die onder het toepassingsgebied van dit akkoord vallen, de zogenaamde VIA-personeelsleden, recht hebben op een vakantieperiode van 3 aaneensluitende weken; dat deze bepaling verankerd werd in artikel 52/1 van het rechtspositiebesluit; dat deze bepaling moet ingeschreven worden in de rechtspositieregeling en dat de uitvoeringsmodaliteiten, planningsprocedure en voorrangsregels door de raad bepaald worden;
Overwegende dat een ziekteperiode tijdens een geplande vakantieperiode ervoor zorgt dat die vakantiedagen automatisch worden omgezet naar ziekteverlof conform de Europese richtlijn 2003/88/EG;
Overwegende dat vakantiedagen die niet konden opgenomen worden omwille van langdurige arbeidsongeschiktheid en overmacht, kunnen opgenomen worden tot 24 maanden na het vakantiejaar conform de Europese richtlijn 2003/88/EG; dat het rechtspositiebesluit bepaalt dat het begrip ‘overmacht’ gedefinieerd moet worden; dat geopteerd wordt om dit op te nemen in het artikel betreffende de definities;
Overwegende dat conform artikel 67, §3 van het rechtspositiebesluit het omstandigheidsverlof wordt uitgebreid; dat personeelsleden recht hebben op 2 dagen omstandigheidsverlof bij zwangerschapsverlies;
Overwegende dat conform het advies nr.2233 van de Nationale Arbeidsraad van 13 juli 2021 langdurige pleegzorg volledig wordt gelijkgesteld met biologisch ouderschap voor de toepassing van het omstandigheidsverlof; dat het begrip ‘langdurige pleegzorg’ uitgebreider wordt omschreven;
Overwegende dat in artikel 9 van het rechtspositiebesluit werd bepaald dat besturen gebruik kunnen maken van een permanente selectieprocedure; dat deze procedure reeds werd ingeschreven in de rechtspositieregeling;
Overwegende dat in de huidige rechtspositieregeling geen mogelijkheid is tot het aanleggen van een wervingsreserve bij permanente vacatures; dat er enkel een lijst kan opgesteld worden met geslaagde kandidaten met een duurtijd van 3 maanden die vervalt bij het afsluiten van de permanente vacature; dat hierdoor kandidaten, na het afsluiten van de permanente vacature, enkel uitgenodigd worden voor een gestructureerd interview zonder mogelijkheid om hen later nog aan te stellen; dat wordt voorgesteld om ook een wervingsreserve aan te leggen bij de permanente procedures;
Overwegende dat advies werd gevraagd aan het Agentschap Binnenlands Bestuur met betrekking tot de permanente procedures; dat zij deze manier van werken aanvaarden; dat zij echter hebben aangegeven in hun advies dat de bepaling "Als selectietechniek wordt minstens het gestructureerd interview toegepast" niet voldoende is om aan een volwaardige selectieprocedure te voldoen; dat personeelsleden die slagen in een selectieprocedure waarbij enkel een gestructureerd interview werd toegepast, niet in aanmerking komen voor bevordering of interne mobiliteit; dat enkel een CV-screening of gesprek hiervoor niet voldoende is;
Overwegende dat een volwaardige selectieprocedure volgens de Vlaamse Regering in de toelichtende tekst bij het rechtspositiebesluit minstens één of meer selectietechnieken bevat; dat de voorwaarde dat er niet louter een CV-screening of gesprek mag toegepast worden enkel geldt bij selectieprocedures waarbij de diplomavoorwaarde werd geschrapt; dat hierover advies werd gevraagd aan de juridische afdeling van Mondea, en dat zij dit standpunt beamen; dat de bepaling omtrent de selectietechniek bij permanente procedures niet werd geschrapt;
Overwegende dat in het rechtspositiebesluit werd bepaald, in overeenstemming met de vrijheidsgraden, dat besturen de vrijheid krijgen om zelf de graden binnen de niveaus te bepalen; dat de niveaus steeds hiërarchisch dienen gerangschikt te worden in basisgraden en hogere graden;
Overwegende dat sinds de fusie in 2019 het takenpakket van de directeurs binnen de organisatie aanzienlijk is uitgebreid; dat de schaalvergroting heeft geleid tot een toename van verantwoordelijkheden, complexiteit en verwachtingen ten aanzien van de directiefuncties; dat ondanks deze evolutie de weddeschalen van de betrokken directeurs tot op heden niet zijn aangepast aan deze gewijzigde context; dat er momenteel, historisch gegroeid, ongelijkheden bestaan tussen de weddeschalen van directeurs binnen de organisatie; dat al enkele jaren de inschaling van alle directeurs op niveau A5a-A5b is opgenomen in het meerjarenplan; dat dit nog niet is doorgevoerd; dat voorgesteld wordt om de harmonisatie van de weddeschalen van de directeurs formeel te realiseren, zonder bijkomende examens, en een nieuwe weddeschaal te creëren A4a-A4b-A5a-A5b;
Overwegende dat volgende principes werden toegepast in het voorstel:
Overwegende dat wordt voorgesteld om aan artikel 3 van de rechtspositieregeling een lid 19 toe te voegen:
19. overmacht: een plotse en onvoorziene gebeurtenis die zich voordoet buiten de wil van het personeelslid en het bestuur, die tijdelijk van aard is en die de verdere uitvoering van de prestaties volledig onmogelijk maakt.
Overwegende dat wordt voorgesteld om artikel 7, tweede lid van de rechtspositieregeling als volgt te wijzigen:
Het passend gedrag vermeld in punt 1°, wordt, indien de functie dit vereist, getoetst aan de hand van een uittreksel uit het strafregister. Als daarop een ongunstige vermelding voorkomt, mag de kandidaat daarover een schriftelijke toelichting voorleggen. De aanstellende overheid stelt een limitatieve lijst op met functies waarvoor een uittreksel uit het strafregister dient voorgelegd te worden. Deze lijst wordt als bijlage aan deze rechtspositieregeling toegevoegd.
Overwegende dat wordt voorgesteld om artikel 251 van de rechtspositieregeling als volgt te wijzigen:
§1. Een voltijds werkend personeelslid heeft voor een volledig dienstjaar recht op 30 werkdagen betaalde vakantie met uitzondering van een voltijds OCMW-personeelslid (verzorgende, verplegende en dienstverlenende instellingen) dat voor een volledig dienstjaar recht heeft op 26 vakantiedagen.
Het personeelslid heeft recht op een bijkomend verlof waarvan het aantal dagen naargelang de leeftijd als volgt wordt bepaald:
vanaf 40 jaar: 1 dag
vanaf 45 jaar: 2 dagen
vanaf 50 jaar: 3 dagen
vanaf 55 jaar: 4 dagen
vanaf 60 jaar: 5 dagen
§2. Deeltijdse personeelsleden krijgen verlof a rato van hun arbeidsprestaties.
Voor het bepalen van de duur van het verlof wordt de leeftijd in aanmerking genomen die het personeelslid bereikt heeft op 1 juli van het jaar.
§3. De vakantiedagen kunnen in principe worden genomen naar keuze van het personeelslid, rekening houdend met:
De vakantiedagen moeten vooraf worden aangevraagd bij de verantwoordelijke die hiervoor werd aangeduid. Het verlof moet ten minste drie werkdagen voor de aanvang ervan aangevraagd worden, aansluitend verlof van minstens 14 kalenderdagen moet ten minste 1 week voor aanvang ervan worden aangevraagd. Het verlof kan geweigerd worden o.a. rekening houdend met de vereisten van permanentie en goede dienstverlening. Als de aangevraagde dagen of periodes niet verzoenbaar zijn met de behoeften van de dienstverlening, dan wordt dit zo vlug mogelijk meegedeeld aan het personeelslid.
Het personeelslid moet de vakantiedagen opnemen binnen de 12 maanden die volgen op het einde van het vakantiedienstjaar. Bij opname van vakantieverlof worden eerst de wettelijke vakantiedagen aangerekend en vervolgens na uitputting van de wettelijke dagen, de bijkomende vakantiedagen. Bij uitdiensttreding kunnen er slechts conform de wettelijke bepalingen 20 vakantiedagen uitbetaald worden onder de vorm van een vakantiegeld bij uitdiensttreding. In dit geval kunnen uitzonderlijk eerst de bijkomende vakantiedagen aangerekend worden bij de opname van het vakantieverlof.
In afwijking van §3, tweede lid, kan het personeelslid elk jaar maximum vier vakantiedagen opnemen zonder dat het dienstbelang kan worden ingeroepen om het verlof te weigeren.
§4. Wanneer het personeelslid zijn vakantiedagen niet volledig heeft kunnen opnemen wegens arbeidsongeschiktheid of overmacht worden de vakantiedagen overgedragen en kunnen ze nog worden opgenomen tot 24 maanden na het einde van het vakantiejaar waarin de vakantiedagen niet konden opgenomen worden.
Wanneer het personeelslid zijn vakantiedagen niet volledig heeft kunnen opnemen voor het einde van het vakantiejaar, wegens langdurige arbeidsongeschiktheid (minimum 4 weken) of dienstorganisatorische redenen, kunnen maximum 10 bijkomende vakantiedagen overgedragen worden naar het volgende vakantiejaar. Deze overgedragen vakantiedagen moeten opgenomen zijn voor het einde van de maand april.
§5. Voor de statutaire personeelsleden wordt de jaarlijkse vakantie berekend op basis van de prestaties van het lopende jaar. Voor de contractuele personeelsleden wordt de jaarlijkse vakantie berekend op basis van de prestaties van het vorige jaar.
De opbouw van de vakantiedagen voor de contractuele personeelsleden verschilt naar gelang het om wettelijke of bijkomende vakantiedagen gaat. Met wettelijke vakantiedagen worden de maximum 20 vakantiedagen bedoeld, overeenkomstig de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie voor werknemers. Met bijkomende vakantiedagen worden de maximum 10 tot 15 vakantiedagen bedoeld boven op de wettelijke vakantiedagen. De bijkomende vakantiedagen worden opgebouwd op basis van de prestaties van het vorige jaar naar analogie met de bepalingen van de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie voor werknemers.
§6.VIA-personeelsleden hebben jaarlijks recht op een vakantieperiode van minstens drie aaneensluitende weken, inclusief drie opeenvolgende weekends. Deze vakantieperiode maakt deel uit van de jaarlijkse vakantie waarop het personeelslid recht heeft.
De concrete invulling van de vakantieplanning gebeurt in overleg met de verantwoordelijke, met inachtneming van de continuïteit van de dienstverlening.
Het recht op drie opeenvolgende weken vakantie kan uitsluitend en uitzonderlijk worden beperkt wegens objectieve en gemotiveerde organisatorische noodwendigheden. Een beperking wordt gemotiveerd en meegedeeld aan het betrokken personeelslid. De verantwoordelijke wint hiervoor vooraf advies in van de betrokken clusterdirecteur.
De VIA-personeelsleden melden hun voorkeur voor een vakantieperiode van drie opeenvolgende weken uiterlijk op 1 maart van het betreffende kalenderjaar aan.
De vakantieplanning gebeurt in overleg op celniveau, met aandacht voor billijke verdeling en de continuïteit van de dienstverlening.
Bij overlappende aanvragen gelden de volgende voorrangscriteria:
Overwegende dat wordt voorgesteld om artikel 256 van de rechtspositieregeling als volgt te wijzigen:
§1. Het personeelslid krijgt omstandigheidsverlof naar aanleiding van de volgende gebeurtenissen:
Aard van de gebeurtenis | Toegestaan maximum |
1. huwelijk van het personeelslid of het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning door het personeelslid, vermeld in artikel 1475 tot en met 1479 van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van het afleggen van een verklaring van samenwoning van bloed- of aanverwanten: | 4 werkdagen |
2. bevalling van de echtgenote of samenwonende partner, of ter gelegenheid van de geboorte van een kind dat wettelijk afstamt van het personeelslid | 20 werkdagen als het kind geboren wordt |
3. overlijden van de samenwonende of huwelijkspartner, van een kind van het personeelslid, de samenwonende of huwelijkspartner, of van een pleegkind in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van het overlijden of in het verleden: | 10 werkdagen waarbij 3 door de werknemer te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis en 7 dagen door de werknemer te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden |
4. 1° overlijden van de vader, moeder, stiefvader, stiefmoeder, schoonzoon of schoondochter van het personeelslid, de samenwonende of huwelijkspartner: 2° overlijden van de pleegvader of pleegmoeder van het personeelslid in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van het overlijden | 4 werkdagen |
5. overlijden van een pleegkind in het kader van kortdurende pleegzorg op het moment van het overlijden: | 1 werkdag |
6. huwelijk van een kind van het personeelslid, van de samenwonende of huwelijkspartner, of van een pleegkind van het personeelslid, van de samenwonende of huwelijkspartner in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van het huwelijk: | 2 werkdagen |
7. overlijden van een bloed- of aanverwant van het personeelslid of de samenwonende partner in om het even welke graad, die onder hetzelfde dak woont als het personeelslid of de samenwonende partner: | 2 werkdagen |
8. 1° overlijden van een bloed- of aanverwant van het personeelslid of de samenwonende partner in de tweede graad, een overgrootouder of een achterkleinkind, niet onder hetzelfde dak wonend als het personeelslid of de samenwonende partner: 2° overlijden van de ouder van een pleegouder of een kind van het pleegkind, in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van het overlijden, waarbij die ouder of dat kind niet onder hetzelfde dak woont als het personeelslid of de samenwonende partner: | 1 werkdag |
9. 1° huwelijk van een bloed- of aanverwant: in de eerste graad, die geen kind is; in de tweede graad, van het personeelslid, de samenwonende of huwelijkspartner: 2° huwelijk van een pleegouder van het personeelslid, de samenwonende of huwelijkspartner; van een bloed- of aanverwant in de eerste en tweede graad van de pleegouder of het pleegkind van het personeelslid, de samenwonende of huwelijkspartner: | de dag van het huwelijk |
10. priesterwijding of intrede in het klooster van een kind van het personeelslid, van de samenwonende of huwelijkspartner, of van een pleegkind van het personeelslid, van de samenwonende of huwelijkspartner in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van de priesterwijding,of van een broer, zuster, schoonbroer of schoonzuster van het personeelslid: | de dag van de rooms-katholieke plechtigheid of een daarmee overeenstemmende plechtigheid bij een andere erkende eredienst |
11. plechtige communie of deelneming van een kind van het personeelslid of van de samenwonende of huwelijkspartner, of van een pleegkind van het personeelslid, van de samenwonende of huwelijkspartner in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van de plechtige communie, aan het feest van de vrijzinnige jeugd of aan een plechtigheid in het kader van een erkende eredienst die overeenstemt met de rooms-katholieke plechtige communie: | de dag van de plechtigheid, of, als dat een zondag, feestdag of inactiviteitsdag is, de eerstvolgende werkdag |
12. gehoord worden door de vrederechter in het kader van de organisatie van de voogdij over een minderjarige: | de nodige tijd, maximaal één dag |
13. deelneming aan een assisenjury, oproeping als getuige voor de rechtbank of persoonlijke verschijning op aanmaning van de arbeidsrechtbank: | de nodige tijd |
14. zwangerschapsverlies van het personeelslid dat zwanger was: | 2 werkdagen |
15. Zwangerschapsverlies van de echtgenote of samenwonende partner van het personeelslid: | 2 werkdagen |
De dagen moeten opgenomen worden in de onmiddellijke nabijheid van de omstandigheid (binnen 14 dagen). De algemeen directeur kan afwijkingen toestaan op de termijn waarbinnen omstandigheidsverlof moet opgenomen worden.
Overwegende dat wordt voorgesteld om artikel 258 van de rechtspositieregeling als volgt te wijzigen:
Het omstandigheidsverlof is een recht, maar het personeelslid is niet verplicht deze verloven geheel of gedeeltelijk op te nemen.
Het personeelslid richt zijn aanvraag, vergezeld van de nodige stavingstukken, tot de algemeen directeur.
Wanneer het omstandigheidsverlof uit meerdere dagen bestaat, kan het op verzoek van het personeelslid worden gesplitst in meerdere periodes.
In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° langdurige pleegzorg: de pleegzorg waarbij het kind is ingeschreven als deel uitmakend van het gezin van het personeelslid in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar het personeelslid zijn verblijfplaats heeft voor minstens zes maanden of de pleegzorg waarbij het kind in het verleden voor minstens zes maanden was ingeschreven als deel uitmakend van het gezin van het personeelslid in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar het personeelslid zijn verblijfplaats heeft, of de pleegzorg waarvan bij aanvang duidelijk is dat het pleegkind voor minstens zes maanden deel zal uitmaken van het gezin van het personeelslid, in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar het personeelslid zijn verblijfplaats heeft;
2° kortdurende pleegzorg: alle vormen van pleegzorg die niet voldoen aan de voorwaarden van langdurige pleegzorg, vermeld in punt 1°.
3° zwangerschapsverlies: alle vormen van zwangerschapsverlies, zowel medisch als spontaan ingeleid, vanaf het ogenblik dat het verlies zich voordoet, vanaf het begin van de zwangerschap tot en met 180 kalenderdagen zwangerschap, zonder dat het personeelslid een attest hoeft voor te leggen.
Overwegende dat wordt voorgesteld om een limitatieve lijst met functies waarvoor een uittreksel uit het strafregister wordt opgevraagd als aanwervingsvoorwaarde toe te voegen als bijlage aan de rechtspositieregeling:
Gereglementeerde activiteiten
Contact met minderjarigen
Overwegende dat wordt voorgesteld om artikel 27 van de rechtspositieregeling als volgt te wijzigen:
Bij de permanente vacant verklaring wordt een versnelde selectieprocedure toegepast. De permanente procedure kan niet worden gebruikt voor de selectie van leden van het managementteam.
§1. Afwijkingen wat betreft de publicatie
Het vacaturebericht wordt permanent op de website van het bestuur geplaatst en via de VDAB website gepubliceerd. Er wordt geen uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen bekend gemaakt.
De kandidaten leveren het bewijs dat ze voldoen aan de diplomavereiste, uiterlijk op de datum van het indienen van hun kandidatuur. De aanstellende overheid beslist voor de aanstelling over de geldigheid van de voorgelegde diploma’s. Indien het diploma niet geldig is, kan de kandidaat niet worden aangesteld, ongeacht het behaalde resultaat.
De aanstellende overheid kan beslissen dat de permanente vacantverklaring wordt ingetrokken als er bij een tussentijdse afsluiting van de kandidatenlijst en de daaropvolgende selectieprocedure voldoende geslaagde kandidaten zijn om al de vacante functies in te vullen. Kandidaten die nog gesolliciteerd hebben vóór de intrekking van de permanente vacantverklaring, worden nog uitgenodigd om de volledige selectieprocedure te doorlopen conform de afwijkende bepalingen in paragraaf 2. Deze kandidaten worden geïnformeerd over het afsluiten van de vacature en dat zij enkel nog deelnemen voor opname in de wervingsreserve conform de afwijkende bepalingen betreffende de reserve in paragraaf 3.
§2.Afwijkingen wat betreft de selectieprocedure:
Kandidaten worden op regelmatige basis uitgenodigd om de selectieprocedure te doorlopen. Dit gebeurt op basis van tussentijdse afsluitingen van de kandidatenlijst.
De selectiecommissie bestaat uit ten minste twee leden. Deze worden vastgesteld door de aanstellende overheid bij de vacantverklaring:
Als selectietechniek wordt minstens het gestructureerd interview toegepast. De kandidaten worden hiervan vooraf op de hoogte gebracht, onder meer door vermelding in het vacaturebericht.
§3 Afwijking wat betreft de reserve
De kandidaten die slagen in deze permanente selectieprocedure worden opgenomen op een reserve, gerangschikt in overeenstemming met het behaalde eindresultaat en conform de bepalingen van artikel 28.
De reserve wordt gekoppeld aan de tussentijdse afsluiting van de kandidatenlijst waarin de kandidaat zich bevindt. Op het moment dat er in een tussentijdse afsluiting van de kandidatenlijst geslaagde kandidaten zijn, wordt er een reserve aangelegd. Kandidaten die na deze afsluiting deelnemen aan de selectieprocedure zullen op een reserve opgenomen worden die aanvangt op een latere datum.
De reserves die hierdoor ontstaan, worden in volgorde van aanleg aangesproken voor aanstellingen.
§4 Recht op bevordering en interne personeelsmobiliteit
De kandidaten die via permanente selectieprocedure in dienst zijn gekomen, vallen onder de toepassing van hoofdstuk 13 De procedure voor bevordering en onder de toepassing van hoofdstuk 14 De procedure voor interne personeelsmobiliteit.
Overwegende dat wordt voorgesteld om artikel 5, 1° van de rechtspositieregeling als volgt te wijzigen:
1° voor niveau A:
Graden | Rangen | Salarisschalen van de functionele loopbaan |
| Av | A1a-A2a-A3a
|
| Ax | A4a-A4b-A5a-A5b |
Overwegende dat wordt voorgesteld om artikel 63 van de rechtspositieregeling als volgt te wijzigen:
De functionele loopbaan en de voorwaarden voor doorstroming naar de volgende salarisschalen voor het niveau A zijn,
A1a-A2a-A3a:
A4a-A4b-A5a-A5b:
Overwegende dat wordt voorgesteld om bijlage V van de rechtspositieregeling betreffende de telewerkpolicy als volgt te wijzigen:
Punt 7.1 Principiële goedkeuring
De volgende functies komen in aanmerking voor telewerk:
De volgende functies komen niet in aanmerking voor telewerk:
Overwegende dat de representatieve vakorganisaties akkoord gingen met de voorgestelde wijziging van de gemeentelijke rechtspositieregeling;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 20 januari 2023 tot vaststelling van de minimale voorwaarden van de rechtspositieregeling van het personeel van lokale en provinciale besturen;
Artikel 3 van de rechtspositieregeling van het lokaal bestuur
Toe te voegen:
19. overmacht: een plotse en onvoorziene gebeurtenis die zich voordoet buiten de wil van het personeelslid en het bestuur, die tijdelijk van aard is en die de verdere uitvoering van de prestaties volledig onmogelijk maakt.
Artikel 5, 1° van de rechtspositieregeling van het lokaal bestuur
1° voor niveau A:
Graden | Rangen | Salarisschalen van de functionele loopbaan |
| Av | A1a-A2a-A3a
|
| Ax Ay | A4a-A4b A5a-A5b |
Te wijzigen als volgt:
1° voor niveau A:
Graden | Rangen | Salarisschalen van de functionele loopbaan |
| Av | A1a-A2a-A3a
|
| Ax | A4a-A4b-A5a-A5b |
Artikel 7, tweede lid van de rechtspositieregeling van het lokaal bestuur
Het passend gedrag vermeld in punt 1°, wordt getoetst aan de hand van een uittreksel uit het strafregister. Als daarop een ongunstige vermelding voorkomt, mag de kandidaat daarover een schriftelijke toelichting voorleggen.
Te wijzigen als volgt:
Het passend gedrag vermeld in punt 1°, wordt, indien de functie dit vereist, getoetst aan de hand van een uittreksel uit het strafregister. Als daarop een ongunstige vermelding voorkomt, mag de kandidaat daarover een schriftelijke toelichting voorleggen. De aanstellende overheid stelt een limitatieve lijst op met functies waarvoor een uittreksel uit het strafregister dient voorgelegd te worden. Deze lijst wordt als bijlage aan deze rechtspositieregeling toegevoegd.
Artikel 27 van de rechtspositieregeling van het lokaal bestuur
Bij de permanente vacant verklaring wordt de versnelde selectieprocedure toegepast. De versnelde procedure kan niet worden gebruikt voor de selectie van leidinggevende functies.
§1. Afwijkingen wat betreft de publicatie
Het vacaturebericht wordt permanent op de website van het bestuur geplaatst en via de VDAB website gepubliceerd. Er wordt geen uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen bekend gemaakt.
De kandidaten leveren het bewijs dat ze voldoen aan de diplomavereiste, uiterlijk op de datum van het indienen van hun kandidatuur. De aanstellende overheid beslist voor de aanstelling over de geldigheid van de voorgelegde diploma’s. Indien het diploma niet geldig is, kan de kandidaat niet worden aangesteld, ongeacht het behaalde resultaat.
De aanstellende overheid kan beslissen dat de permanente vacant verklaring wordt ingetrokken. Kandidaten die nog gesolliciteerd hebben vóór de intrekking van de permanente vacant verklaring, worden nog uitgenodigd tot een gestructureerd interview conform de afwijkingen wat betreft de selectieprocedure, zoals bepaald in volgend artikel.
§2.Afwijkingen wat betreft de selectieprocedure:
De selectiecommissie bestaat uit ten minste twee leden. Deze worden vastgesteld door de aanstellende overheid bij de vacant verklaring:
Als selectietechniek wordt minstens het gestructureerd interview toegepast. De kandidaten worden hiervan vooraf op de hoogte gebracht, onder meer door vermelding in het vacaturebericht.
§3 Afwijking wat betreft de reserve
De kandidaten die slagen in deze versnelde selectieprocedure worden opgenomen op een lijst van geslaagde kandidaten, gerangschikt in overeenstemming met het behaalde eindresultaat. Zij komen gedurende 3 maanden in aanmerking voor een contract van onbepaalde duur, te rekenen vanaf het eindverslag van de selectieprocedure. Bij intrekking van de permanente vacant verklaring vervalt eveneens de reserve.
§4 Recht op bevordering en interne personeelsmobiliteit
De kandidaten die via de versnelde selectieprocedure in dienst zijn gekomen, vallen onder de toepassing van hoofdstuk 13 De procedure voor bevordering en onder de toepassing van hoofdstuk 14 De procedure voor interne personeelsmobiliteit.
Te wijzigen als volgt:
Bij de permanente vacant verklaring wordt een versnelde selectieprocedure toegepast. De permanente procedure kan niet worden gebruikt voor de selectie van leden van het managementteam.
§1. Afwijkingen wat betreft de publicatie
Het vacaturebericht wordt permanent op de website van het bestuur geplaatst en via de VDAB website gepubliceerd. Er wordt geen uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen bekend gemaakt.
De kandidaten leveren het bewijs dat ze voldoen aan de diplomavereiste, uiterlijk op de datum van het indienen van hun kandidatuur. De aanstellende overheid beslist voor de aanstelling over de geldigheid van de voorgelegde diploma’s. Indien het diploma niet geldig is, kan de kandidaat niet worden aangesteld, ongeacht het behaalde resultaat.
De aanstellende overheid kan beslissen dat de permanente vacantverklaring wordt ingetrokken als er bij een tussentijdse afsluiting van de kandidatenlijst en de daaropvolgende selectieprocedure voldoende geslaagde kandidaten zijn om al de vacante functies in te vullen. Kandidaten die nog gesolliciteerd hebben vóór de intrekking van de permanente vacantverklaring, worden nog uitgenodigd om de volledige selectieprocedure te doorlopen conform de afwijkende bepalingen in paragraaf 2. Deze kandidaten worden geïnformeerd over het afsluiten van de vacature en dat zij enkel nog deelnemen voor opname in de wervingsreserve conform de afwijkende bepalingen betreffende de reserve in paragraaf 3.
§2.Afwijkingen wat betreft de selectieprocedure:
Kandidaten worden op regelmatige basis uitgenodigd om de selectieprocedure te doorlopen. Dit gebeurt op basis van tussentijdse afsluitingen van de kandidatenlijst.
De selectiecommissie bestaat uit ten minste twee leden. Deze worden vastgesteld door de aanstellende overheid bij de vacant verklaring:
Als selectietechniek wordt minstens het gestructureerd interview toegepast. De kandidaten worden hiervan vooraf op de hoogte gebracht, onder meer door vermelding in het vacaturebericht.
§3 Afwijking wat betreft de reserve
De kandidaten die slagen in deze permanente selectieprocedure worden opgenomen op een reserve, gerangschikt in overeenstemming met het behaalde eindresultaat en conform de bepalingen van artikel 28.
De reserve wordt gekoppeld aan de tussentijdse afsluiting van de kandidatenlijst waarin de kandidaat zich bevindt. Op het moment dat er in een tussentijdse afsluiting van de kandidatenlijst geslaagde kandidaten zijn, wordt er een reserve aangelegd. Kandidaten die na deze afsluiting deelnemen aan de selectieprocedure zullen op een reserve opgenomen worden die aanvangt op een latere datum.
De reserves die hierdoor ontstaan, worden in volgorde van aanleg aangesproken voor aanstellingen.
§4 Recht op bevordering en interne personeelsmobiliteit
De kandidaten die via permanente selectieprocedure in dienst zijn gekomen, vallen onder de toepassing van hoofdstuk 13 De procedure voor bevordering en onder de toepassing van hoofdstuk 14 De procedure voor interne personeelsmobiliteit.
Artikel 59 van de rechtspositieregeling van het lokaal bestuur
De functionele loopbanen en de voorwaarden voor doorstroming naar de volgende salarisschalen zijn voor het niveau A:
1° voor de graden van rang Av:
A1a-A2a-A3a:
2° voor de graden van rang Ax:
A4a-A4b:
A5a-A5b:
Te wijzigen als volgt:
De functionele loopbaan en de voorwaarden voor doorstroming naar de volgende salarisschalen voor het niveau A zijn,
1° voor de graad van rang Av:
A1a-A2a-A3a:
1. van A1a naar A2a na 4 jaar schaalanciënniteit in A1a, en een gunstig evaluatieresultaat;
2. van A2a naar A3a na 18 jaar gecumuleerde schaalanciënniteit in A1a en A2a, en een gunstig evaluatieresultaat.
2° voor de graden van rang Ax:
A4a-A4b-A5a-A5b:
Artikel 251 van de rechtspositieregeling van het lokaal bestuur
§1. Een voltijds werkend personeelslid heeft voor een volledig dienstjaar recht op 30 werkdagen betaalde vakantie met uitzondering van een voltijds OCMW-personeelslid (verzorgende, verplegende en dienstverlenende instellingen) dat voor een volledig dienstjaar recht heeft op 26 vakantiedagen.
Het personeelslid heeft recht op een bijkomend verlof waarvan het aantal dagen naargelang de leeftijd als volgt wordt bepaald:
vanaf 40 jaar: 1 dag
vanaf 45 jaar: 2 dagen
vanaf 50 jaar: 3 dagen
vanaf 55 jaar: 4 dagen
vanaf 60 jaar: 5 dagen
Deeltijdse personeelsleden krijgen verlof a rato van hun arbeidsprestaties.
Voor het bepalen van de duur van het verlof wordt de leeftijd in aanmerking genomen die het personeelslid bereikt heeft op 1 juli van het jaar.
De vakantiedagen kunnen in principe worden genomen naar keuze van het personeelslid, rekening houdend met:
De vakantiedagen moeten vooraf worden aangevraagd bij de verantwoordelijke die hiervoor werd aangeduid. Het verlof moet ten minste drie werkdagen voor de aanvang ervan aangevraagd worden, aansluitend verlof van minstens 14 kalenderdagen moet ten minste 1 week voor aanvang ervan worden aangevraagd. Het verlof kan geweigerd worden o.a. rekening houdend met de vereisten van permanentie en goede dienstverlening. Als de aangevraagde dagen of periodes niet verzoenbaar zijn met de behoeften van de dienstverlening, dan wordt dit zo vlug mogelijk meegedeeld aan het personeelslid.
Het personeelslid moet de vakantiedagen opnemen binnen de 12 maanden die volgen op het einde van het vakantiedienstjaar. Bij opname van vakantieverlof worden eerst de wettelijke vakantiedagen aangerekend en vervolgens na uitputting van de wettelijke dagen, de bijkomende vakantiedagen. Bij uitdiensttreding kunnen er slechts conform de wettelijke bepalingen 20 vakantiedagen uitbetaald worden onder de vorm van een vakantiegeld bij uitdiensttreding. In dit geval kunnen uitzonderlijk eerst de bijkomende vakantiedagen aangerekend worden bij de opname van het vakantieverlof.
Wanneer het personeelslid zijn vakantiedagen niet volledig heeft kunnen opnemen voor het einde van het vakantiejaar, wegens langdurige arbeidsongeschiktheid (minimum 4 weken) of dienstorganisatorische redenen, kunnen maximum 10 bijkomende vakantiedagen overgedragen worden naar het volgende vakantiejaar. Deze overgedragen vakantiedagen moeten opgenomen zijn voor het einde van de maand april.
§2. In afwijking van §1, derde lid, kan het personeelslid elk jaar maximum vier vakantiedagen opnemen zonder dat het dienstbelang kan worden ingeroepen om het verlof te weigeren.
§3. Voor de statutaire personeelsleden wordt de jaarlijkse vakantie berekend op basis van de prestaties van het lopende jaar. Voor de contractuele personeelsleden wordt de jaarlijkse vakantie berekend op basis van de prestaties van het vorige jaar.
§4. De opbouw van de vakantiedagen voor de contractuele personeelsleden verschilt naar gelang het om wettelijke of bijkomende vakantiedagen gaat. Met wettelijke vakantiedagen worden de maximum 20 vakantiedagen bedoeld, overeenkomstig de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie voor werknemers. Met bijkomende vakantiedagen worden de maximum 10 tot 15 vakantiedagen bedoeld boven op de wettelijke vakantiedagen. De bijkomende vakantiedagen worden opgebouwd op basis van de prestaties van het vorige jaar naar analogie met de bepalingen van de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie voor werknemers.
Te wijzigen als volgt:
§1. Een voltijds werkend personeelslid heeft voor een volledig dienstjaar recht op 30 werkdagen betaalde vakantie met uitzondering van een voltijds OCMW-personeelslid (verzorgende, verplegende en dienstverlenende instellingen) dat voor een volledig dienstjaar recht heeft op 26 vakantiedagen.
Het personeelslid heeft recht op een bijkomend verlof waarvan het aantal dagen naargelang de leeftijd als volgt wordt bepaald:
vanaf 40 jaar: 1 dag
vanaf 45 jaar: 2 dagen
vanaf 50 jaar: 3 dagen
vanaf 55 jaar: 4 dagen
vanaf 60 jaar: 5 dagen
§2. Deeltijdse personeelsleden krijgen verlof a rato van hun arbeidsprestaties.
Voor het bepalen van de duur van het verlof wordt de leeftijd in aanmerking genomen die het personeelslid bereikt heeft op 1 juli van het jaar.
§3. De vakantiedagen kunnen in principe worden genomen naar keuze van het personeelslid, rekening houdend met:
De vakantiedagen moeten vooraf worden aangevraagd bij de verantwoordelijke die hiervoor werd aangeduid. Het verlof moet ten minste drie werkdagen voor de aanvang ervan aangevraagd worden, aansluitend verlof van minstens 14 kalenderdagen moet ten minste 1 week voor aanvang ervan worden aangevraagd. Het verlof kan geweigerd worden o.a. rekening houdend met de vereisten van permanentie en goede dienstverlening. Als de aangevraagde dagen of periodes niet verzoenbaar zijn met de behoeften van de dienstverlening, dan wordt dit zo vlug mogelijk meegedeeld aan het personeelslid.
Het personeelslid moet de vakantiedagen opnemen binnen de 12 maanden die volgen op het einde van het vakantiedienstjaar. Bij opname van vakantieverlof worden eerst de wettelijke vakantiedagen aangerekend en vervolgens na uitputting van de wettelijke dagen, de bijkomende vakantiedagen. Bij uitdiensttreding kunnen er slechts conform de wettelijke bepalingen 20 vakantiedagen uitbetaald worden onder de vorm van een vakantiegeld bij uitdiensttreding. In dit geval kunnen uitzonderlijk eerst de bijkomende vakantiedagen aangerekend worden bij de opname van het vakantieverlof.
In afwijking van §3, tweede lid, kan het personeelslid elk jaar maximum vier vakantiedagen opnemen zonder dat het dienstbelang kan worden ingeroepen om het verlof te weigeren.
§4. Wanneer het personeelslid zijn vakantiedagen niet volledig heeft kunnen opnemen wegens arbeidsongeschiktheid of overmacht worden de vakantiedagen overgedragen en kunnen ze nog worden opgenomen tot 24 maanden na het einde van het vakantiejaar waarin de vakantiedagen niet konden opgenomen worden.
Wanneer het personeelslid zijn vakantiedagen niet volledig heeft kunnen opnemen voor het einde van het vakantiejaar, wegens langdurige arbeidsongeschiktheid (minimum 4 weken) of dienstorganisatorische redenen, kunnen maximum 10 bijkomende vakantiedagen overgedragen worden naar het volgende vakantiejaar. Deze overgedragen vakantiedagen moeten opgenomen zijn voor het einde van de maand april.
§5. Voor de statutaire personeelsleden wordt de jaarlijkse vakantie berekend op basis van de prestaties van het lopende jaar. Voor de contractuele personeelsleden wordt de jaarlijkse vakantie berekend op basis van de prestaties van het vorige jaar.
De opbouw van de vakantiedagen voor de contractuele personeelsleden verschilt naar gelang het om wettelijke of bijkomende vakantiedagen gaat. Met wettelijke vakantiedagen worden de maximum 20 vakantiedagen bedoeld, overeenkomstig de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie voor werknemers. Met bijkomende vakantiedagen worden de maximum 10 tot 15 vakantiedagen bedoeld boven op de wettelijke vakantiedagen. De bijkomende vakantiedagen worden opgebouwd op basis van de prestaties van het vorige jaar naar analogie met de bepalingen van de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie voor werknemers.
§6.VIA-personeelsleden hebben jaarlijks recht op een vakantieperiode van minstens drie aaneensluitende weken, inclusief drie opeenvolgende weekends. Deze vakantieperiode maakt deel uit van de jaarlijkse vakantie waarop het personeelslid recht heeft.
De concrete invulling van de vakantieplanning gebeurt in overleg met de verantwoordelijke, met inachtneming van de continuïteit van de dienstverlening.
Het recht op drie opeenvolgende weken vakantie kan uitsluitend en uitzonderlijk worden beperkt wegens objectieve en gemotiveerde organisatorische noodwendigheden. Een beperking wordt gemotiveerd en meegedeeld aan het betrokken personeelslid. De verantwoordelijke wint hiervoor vooraf advies in van de betrokken clusterdirecteur.
De VIA-personeelsleden melden hun voorkeur voor een vakantieperiode van drie opeenvolgende weken uiterlijk op 1 maart van het betreffende kalenderjaar aan.
De vakantieplanning gebeurt in overleg op celniveau, met aandacht voor billijke verdeling en de continuïteit van de dienstverlening.
Bij overlappende aanvragen gelden de volgende voorrangscriteria:
Artikel 256 van de rechtspositieregeling van het lokaal bestuur
§1. Het personeelslid krijgt omstandigheidsverlof naar aanleiding van de volgende gebeurtenissen:
Aard van de gebeurtenis | Toegestaan maximum |
1. huwelijk van het personeelslid of het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning door het personeelslid, vermeld in artikel 1475 tot en met 1479 van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van het afleggen van een verklaring van samenwoning van bloed- of aanverwanten: | 4 werkdagen |
2. bevalling van de echtgenote of samenwonende partner, of ter gelegenheid van de geboorte van een kind dat wettelijk afstamt van het personeelslid: | 20 werkdagen als het kind geboren wordt |
3. overlijden van de samenwonende of huwelijkspartner, van een kind van het personeelslid, de samenwonende of huwelijkspartner, of van een pleegkind in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van het overlijden of in het verleden: | 10 werkdagen waarbij 3 door de werknemer te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis en 7 dagen door de werknemer te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden |
4. 1° overlijden van de vader, moeder, stiefvader, stiefmoeder, schoonzoon of schoondochter van het personeelslid, de samenwonende of huwelijkspartner: 2° overlijden van de pleegvader of pleegmoeder van het personeelslid in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van het overlijden | 4 werkdagen |
5. overlijden van een pleegkind in het kader van kortdurende pleegzorg op het moment van het overlijden: | 1 werkdag |
6. huwelijk van een kind van het personeelslid, van de samenwonende of huwelijkspartner: | 2 werkdagen |
7. overlijden van een bloed- of aanverwant van het personeelslid of de samenwonende partner in om het even welke graad, die onder hetzelfde dak woont als het personeelslid of de samenwonende partner: | 2 werkdagen |
8. overlijden van een bloed- of aanverwant van het personeelslid of de samenwonende partner in de tweede graad, een overgrootouder of een achterkleinkind, niet onder hetzelfde dak wonend als het personeelslid of de samenwonende partner: | 1 werkdag |
9. huwelijk van een bloed- of aanverwant: in de eerste graad, die geen kind is; in de tweede graad, van het personeelslid, de samenwonende of huwelijkspartner: | de dag van het huwelijk |
10. priesterwijding of intrede in het klooster van een kind van het personeelslid, van de samenwonende of huwelijkspartner, of van een broer, zuster, schoonbroer of schoonzuster van het personeelslid: | de dag van de rooms-katholieke plechtigheid of een daarmee overeenstemmende plechtigheid bij een andere erkende eredienst |
11. plechtige communie of deelneming van een kind van het personeelslid of van de samenwonende of huwelijkspartner, aan het feest van de vrijzinnige jeugd of aan een plechtigheid in het kader van een erkende eredienst die overeenstemt met de rooms-katholieke plechtige communie: | de dag van de plechtigheid, of, als dat een zondag, feestdag of inactiviteitsdag is, de eerstvolgende werkdag |
12. gehoord worden door de vrederechter in het kader van de organisatie van de voogdij over een minderjarige: | de nodige tijd, maximaal één dag |
13. deelneming aan een assisenjury, oproeping als getuige voor de rechtbank of persoonlijke verschijning op aanmaning van de arbeidsrechtbank: | de nodige tijd |
De dagen moeten opgenomen worden in de onmiddellijke nabijheid van de omstandigheid. (binnen 14 dagen). De algemeen directeur kan afwijkingen toestaan op de termijn waarbinnen omstandigheidsverlof moet opgenomen worden.
Te wijzigen als volgt:
§1. Het personeelslid krijgt omstandigheidsverlof naar aanleiding van de volgende gebeurtenissen:
Aard van de gebeurtenis | Toegestaan maximum |
1. huwelijk van het personeelslid of het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning door het personeelslid, vermeld in artikel 1475 tot en met 1479 van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van het afleggen van een verklaring van samenwoning van bloed- of aanverwanten: | 4 werkdagen |
2. bevalling van de echtgenote of samenwonende partner, of ter gelegenheid van de geboorte van een kind dat wettelijk afstamt van het personeelslid | 20 werkdagen als het kind geboren wordt |
3. overlijden van de samenwonende of huwelijkspartner, van een kind van het personeelslid, de samenwonende of huwelijkspartner, of van een pleegkind in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van het overlijden of in het verleden: | 10 werkdagen waarbij 3 door de werknemer te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis en 7 dagen door de werknemer te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden |
4. 1° overlijden van de vader, moeder, stiefvader, stiefmoeder, schoonzoon of schoondochter van het personeelslid, de samenwonende of huwelijkspartner: 2° overlijden van de pleegvader of pleegmoeder van het personeelslid in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van het overlijden | 4 werkdagen |
5. overlijden van een pleegkind in het kader van kortdurende pleegzorg op het moment van het overlijden: | 1 werkdag |
6. huwelijk van een kind van het personeelslid, van de samenwonende of huwelijkspartner, of van een pleegkind van het personeelslid, van de samenwonende of huwelijkspartner in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van het huwelijk: | 2 werkdagen |
7. overlijden van een bloed- of aanverwant van het personeelslid of de samenwonende partner in om het even welke graad, die onder hetzelfde dak woont als het personeelslid of de samenwonende partner: | 2 werkdagen |
8. 1° overlijden van een bloed- of aanverwant van het personeelslid of de samenwonende partner in de tweede graad, een overgrootouder of een achterkleinkind, niet onder hetzelfde dak wonend als het personeelslid of de samenwonende partner: 2° overlijden van de ouder van een pleegouder of een kind van het pleegkind, in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van het overlijden, waarbij die ouder of dat kind niet onder hetzelfde dak woont als het personeelslid of de samenwonende partner: | 1 werkdag |
9. 1° huwelijk van een bloed- of aanverwant: in de eerste graad, die geen kind is; in de tweede graad, van het personeelslid, de samenwonende of huwelijkspartner: 2° huwelijk van een pleegouder van het personeelslid, de samenwonende of huwelijkspartner; van een bloed- of aanverwant in de eerste en tweede graad van de pleegouder of het pleegkind van het personeelslid, de samenwonende of huwelijkspartner: | de dag van het huwelijk |
10. priesterwijding of intrede in het klooster van een kind van het personeelslid, van de samenwonende of huwelijkspartner, of van een pleegkind van het personeelslid, van de samenwonende of huwelijkspartner in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van de priesterwijding,of van een broer, zuster, schoonbroer of schoonzuster van het personeelslid: | de dag van de rooms-katholieke plechtigheid of een daarmee overeenstemmende plechtigheid bij een andere erkende eredienst |
11. plechtige communie of deelneming van een kind van het personeelslid of van de samenwonende of huwelijkspartner, of van een pleegkind van het personeelslid, van de samenwonende of huwelijkspartner in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van de plechtige communie, aan het feest van de vrijzinnige jeugd of aan een plechtigheid in het kader van een erkende eredienst die overeenstemt met de rooms-katholieke plechtige communie: | de dag van de plechtigheid, of, als dat een zondag, feestdag of inactiviteitsdag is, de eerstvolgende werkdag |
12. gehoord worden door de vrederechter in het kader van de organisatie van de voogdij over een minderjarige: | de nodige tijd, maximaal één dag |
13. deelneming aan een assisenjury, oproeping als getuige voor de rechtbank of persoonlijke verschijning op aanmaning van de arbeidsrechtbank: | de nodige tijd |
14. zwangerschapsverlies van het personeelslid dat zwanger was: | 2 werkdagen |
15. Zwangerschapsverlies van de echtgenote of samenwonende partner van het personeelslid: | 2 werkdagen |
De dagen moeten opgenomen worden in de onmiddellijke nabijheid van de omstandigheid (binnen 14 dagen). De algemeen directeur kan afwijkingen toestaan op de termijn waarbinnen omstandigheidsverlof moet opgenomen worden.
Artikel 258 van de rechtspositieregeling van het lokaal bestuur
Het omstandigheidsverlof is een recht, maar het personeelslid is niet verplicht deze verloven geheel of gedeeltelijk op te nemen.
Het personeelslid richt zijn aanvraag, vergezeld van de nodige stavingstukken, tot de algemeen directeur.
Wanneer het omstandigheidsverlof uit meerdere dagen bestaat kan het op verzoek van het personeelslid worden gesplitst in meerdere periodes.
In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° langdurige pleegzorg: de pleegzorg, vermeld in artikel 183/2, § 1, eerste lid BVR G, waarbij het kind is ingeschreven als deel uitmakend van het gezin van het personeelslid in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar het personeelslid zijn verblijfplaats heeft;
2° kortdurende pleegzorg: alle vormen van pleegzorg die niet voldoen aan de voorwaarden van langdurige pleegzorg, vermeld in punt 1°.
Te wijzigen als volgt:
Het omstandigheidsverlof is een recht, maar het personeelslid is niet verplicht deze verloven geheel of gedeeltelijk op te nemen.
Het personeelslid richt zijn aanvraag, vergezeld van de nodige stavingstukken, tot de algemeen directeur.
Wanneer het omstandigheidsverlof uit meerdere dagen bestaat kan het op verzoek van het personeelslid worden gesplitst in meerdere periodes.
In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° langdurige pleegzorg: de pleegzorg waarbij het kind is ingeschreven als deel uitmakend van het gezin van het personeelslid in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar het personeelslid zijn verblijfplaats heeft voor minstens zes maanden of de pleegzorg waarbij het kind in het verleden voor minstens zes maanden was ingeschreven als deel uitmakend van het gezin van het personeelslid in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar het personeelslid zijn verblijfplaats heeft, of de pleegzorg waarvan bij aanvang duidelijk is dat het pleegkind voor minstens zes maanden deel zal uitmaken van het gezin van het personeelslid, in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar het personeelslid zijn verblijfplaats heeft;
2° kortdurende pleegzorg: alle vormen van pleegzorg die niet voldoen aan de voorwaarden van langdurige pleegzorg, vermeld in punt 1°.
3° zwangerschapsverlies: alle vormen van zwangerschapsverlies, zowel medisch als spontaan ingeleid, vanaf het ogenblik dat het verlies zich voordoet, vanaf het begin van de zwangerschap tot en met 180 kalenderdagen zwangerschap, zonder dat het personeelslid een attest hoeft voor te leggen.
Een limitatieve lijst met functies waarvoor een uittreksel uit het strafregister wordt opgevraagd als aanwervingsvoorwaarde wordt toegevoegd als bijlage aan de rechtspositieregeling van het lokaal bestuur:
Gereglementeerde activiteiten
Contact met minderjarigen
Punt 7.1 van bijlage V van de rechtspositieregeling van het lokaal bestuur betreffende de telewerkpolicy als volgt te wijzigen:
De volgende functies komen in aanmerking voor telewerk:
De volgende functies komen niet in aanmerking voor telewerk:
In artikel 324 van de rechtspositieregeling van het lokaal bestuur de datum van inwerkingtreding vast te leggen op 1 januari 2026.
De rechtspositieregeling van het personeel van het lokaal bestuur zoals goedgekeurd door de gemeenteraad op 8 september 2025 op te heffen met ingang van 1 januari 2026.
De gecoördineerde rechtspositieregeling, bij deze beslissing gevoegd, goed te keuren. Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026.